
Pandhuiswet 1910
Artikel 35
1
Ter zake van een beleening mag niet anders worden gevorderd dan één bedrag, waarvan vooruitbetaling niet mag worden geëischt.
2
Het is een bedrag ten honderd van de beleensom, met dien verstande dat een geldsom als minimum mag worden vastgesteld.
3
Het bedrag ten honderd, bedoeld in het tweede lid, kan verschillend zijn naar gelang van de soort en de geschatte waarde der panden, van het bedrag der beleensom en van den duur der beleening.
4
Bij de berekening van hetgeen verschuldigd is, wordt een onderdeel van een cent, dat minder is dan een halve cent, gerekend voor een halven cent; het wordt gerekend voor een cent, indien het meer is dan een halve cent.
Jurisprudentie bij dit artikel
- Hieronder wordt een selectie van de bijbehorende jurisprudentie getoond.
- Geen resultaten gevonden voor de door u opgegeven zoek termen.